Pensjagers en boswachters in het Bos t’Ename.

~~ column ‘herinneringen aan Ename’ door Walter De Bock / foto’s Ilse Bostyn

Van pensjagers, boswachter en allerlei wild in het Wallebos.

Schilderij Gustave De Smet – ‘De pensjager’ (1925)
(zwart-wit foto uit Tijdschrift ‘Onze Kunst’, jaargang 25 (1929).

Het gebeurde een jaar of twee over de helft van de jaren vijftig vorige eeuw.
Mijn moeder met enkele buurvrouwen en ikzelf trokken erop uit met een wissen mand onder de arm om hout te sprokkelen in het Wallebos. Om de Leuvense stoof te kunnen aansteken.
Alle afgevallen dorre takjes hout werden soms nog eens op de knie geplaatst om in kleinere stukken te breken.

“Helaba! Wa doete guldere hiere?”

Miljarde, ’t was de garde Sterzen Lowie! Wij zeiden hier op de Natendries nooit ‘boswachter’ maar ‘garde’.

“Ten iesten: ge meugt guldere nie in den bos kommene. En ten twiedies: de fazanten en patrijzen zijn oan ’t broeden. Ge moakt guldere allies om ziepe. Hoast uldere ziere dadde hiere wieg zijt!

Wij met ‘een stinkere in ons gat’ naar huis. Met een meer of minder halfvolle mande stoofhout.

Foto’s van de drie laatste boswachters van het Bos t’Ename op de tentoonstelling ‘Planten persen & Landschappen lezen’ in het Provinciaal Erfgoedcentrum Ename (voorjaar en zomer 2022)
– links in het groot: boswachter Louis Bostyn, ‘Sterzen Lowie’ – foto Ilse Bostyn

Lowie kwam nu en dan bij mijn vader langs om te babbelen. Waarschijnlijk over de bevolking in het Wallebos en om een pint te drinken. Maar ik kwam tot de constatatie dat zij samen ‘pensjaagden’ in het Wallebos. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet meer weet of Lowie toen nog boswachter was of niet.

Mijn vader vertrok, nadat ik al in bed lag, met vrienden stropers. Met Sterzen Lowie, maar soms ook met Natuzen Vijnie uit de Natusdreef. Vijnie was ook een fervente pensjager. En meestal was het guur weer en de kledij was aangepast aan die dingen. Een karabijn, een tweeloop, een heel sterke batterijlamp en een zelfgemaakte geluidsdemper waren hun attributen.

Oei! Ik werd wakker van de schoten in het bos. Die waren tot aan mijn bed te horen. Ik voelde mijn hart bonzen tot in mijn keel, bang dat ik was. Pang pang. En een tijdje later terug pang. Dit deed mij nog dieper onder mijn ‘sorze’ kruipen.

Een hele tijd later hoorde ik gestommel in huis en kon ik een diepe zucht van ‘kontentement’ slaken omdat ze heelhuids thuis waren.
Plots ging de kamerdeur open en… wie stond er aan mijn bed met de ene keer een haas, de andere keer een konijn, fazant of patrijs om aan mij te tonen. Wie heeft er ooit al iemand aan zijn bed zien staan in het holst van de nacht met pasgeschoten wild? Ik wel!

Wanneer er dan konijn of haas werd klaargemaakt door mijn moeder, met een ‘fleske Liefmans’ erin, dan moest haar broer Dookskiezen Dzef uit Ename komen eten.

Dat ik bang was van die nachtelijke strooptochten kwam door het volgende. Ik had mijn moeder horen vertellen dat het een keer niet zo goed verlopen was, járen ervoor. Ik weet niet of ik al geboren was.
Een garde had midden in de nacht op mijn vader en zijn collega geschoten. Recht op hun benen. Zij zijn toen op handen en voeten naar huis moeten kruipen van de pijn. De bolletjes geweerhagel zaten tot aan zijn dood nog in vader zijn schenen.

En ik krijg nog altijd het water in de mond als ik aan klaargemaakte haas denk. Lekker dat dit was! Met gekookte aardappelen en een schep appelmoes.
Het wild kwam uit het bos ‘van ne rijken’, maar dat was geen stelen zei men toen. Ikzelf ben geen stroper geworden en hou het op een ‘snede’ van het varken.

Amen en uit,
Walter

Schilderij Gustaaf De Smet – ‘Herfstlandschap’