Herinneringen aan mijn jeugd: Christiane (deel 1).

~~ geschreven door Christiane De Smet / met dank aan Marc Maryns (intro, voetnoten, bewerking tekst) / foto’s Christiane De Smet / foto ‘ijzeren brug’ Eddy Vanden Hautte en Walter De Bock / foto ‘kouters in de sneeuw’ Marc Maryns

Een vroegere inwoonster van Ename, Christiane De Smet, wilde enkele foto’s aan haar broer Roland bezorgen om deze op dit weblog ‘Ename, mijn dorp’ en de facebookpagina ‘Ge zijt van Ename als…’ te plaatsen. Bij het bekijken van de foto’s kwamen veel herinneringen aan haar jeugd in Ename naar boven. Deze herinneringen schreef ze neer in een brief aan haar broer. En deze brief mogen wij met u delen. Leest u mee?
Deel 2 van de brief kunt u vinden in dit blogartikel:
https://enamemijndorp.com/2021/01/14/herinneringen-aan-mijn-jeugd-christiane-deel-2/

Herinneringen aan mijn jeugd en latere jaren

Dag broere Roland,

Hoe gaat het nog met u en met uw vrouwke, mijn schoonzus? En met de kinderen?
Gaan de liften nog altijd zonder haperen op en neer? Goed, hoop ik.
Met mij gaat alles goed, ik klaag niet. Ach, waarom zou ik.

Bij het zoeken van de bijgevoegde foto’s om op het weblog en de facebookpagina van Ename te plaatsen, kwamen ook enkele herinneringen aan vroeger terug. Wat hebben we toch een mooi tijd beleefd! Toen mochten we nog veel kapoenerij uitsteken, maar nu in deze moderne tijd sou dat niet meer kunnen want de politie zou vlug voor de deur staan met een Gasboete alhier en een Gasboete aldaar. Toen was ons jeugdig leven veel mooier en eenvoudiger.

De kouters van Ename, zicht vanaf de Blote te Mater (foto Marc Maryns).

Ach ja, van die kapoenerij gesproken: weet je nog hoe de kantonnier (1) achter ons aan zat telkens wanneer we in de beek naast ons huis aan het spelen waren? Altijd stond er iemand op de uitkijk en als hij afkwam kropen we in de grote buis die onder de straat liep. Als hij langs de ene kant afkwam, kropen we er langs de andere kant uit en stonden hem uit te lachen omdat hij ons nooit kon pakken.
Dat was samen met de broers Marc en Luc en ene van de Van Steenbrugges, van wie de ouders huis aan huis vis en sla verkochten. Wij zeiden er ‘Makskies’ (2) tegen.

Of wanneer we in het bos van Ename speelden en de boswachter kwam af. Die riep dan, met zijn geweer in zijn handen, dat hij ons ging doodschieten! Wat een bedreiging! Doodsbang waren we en we liepen weg. Maar de volgende dag zaten we alweer in ’t bos, hopend dat hij ons niet zou zien. Wat soms lukte, maar soms ook niet.

Hoe we doolhoven maakten in het koren en ofwel jij of ik moesten op den uitkijk staan tegen dat de boer afkwam, zodat iedereen kon vluchten. Maar de boer zag altijd een zwarte krullekop of een wittekop met twee vlechten en kwam zo bij ons ma van zijn neus maken. Want hij had mij herkend. Wanneer de boer weg was en de deur toe, had ons ma de schaterlach want pakken kon hij ons niet.

Of hoe we Lieske en Gust (3) gingen helpen met het hooi en dan boven op de kar mee mochten rijden. Hoe we aardappelen gingen rapen bij hen op het land. Hoe we verbrand waren van de zon en dat alles om aan het eind van die dagen een crèmeke te krijgen voor al ons werk.
Hoe de kleine patatjes in het droge patattenkruid werden verbrand en geroosterd en met een stok uit het vuur gehaald werden. Smaken dat het iedereen deed! Alleen moest ik dat niet hebben. Een soort barbecue avant la lettre.

Van die rabarberhistorie wist ik het fijne niet meer, maar toen je het mij een tijd geleden nog eens vertelde moest ik er hartelijk om lachen. Het moet ongeveer als volgt verlopen zijn (maar verbeter mij als ik niet juist ben).
Ons moeder sloeg in paniek toen jullie terugkeerden van een wandeling langs de Schelde of stekelingskes hadden gevangen aan ’t Schofke (4), waar de beek in de Schelde uitmondde. Tja, hoe noemde die beek eigenlijk? Wij wisten niet hoe die beek noemde, voor ons was het ‘de beke’.
Het bleef niet bij wandelen of in de beek spelen. Neen, we staken ook nog andere vormen van kattenkwaad uit. Maar weet je nog dus die ene keer toen je terug thuiskwam en ons ma haar armen in de lucht stak en riep:
‘Moar jongies toch, wa hee gij mee? Wa moe kik doar mee doen?’
Broere, uw antwoord vond ik hilarisch:
‘Ma, inne stok hemme gepiekt en de reste eerlijk gekreeën.’
‘Joa joa, hoe eerlijk gekreeën? Leg mij da ne kier uit? Pas op oas’t nie woar es en!’
‘Joa, ‘k zegge ’t ou doarzuust. Inne stok hemme gepiekt en de reste eerlijk gekreeën.’
Ons ma wilde het nog niet geloven en gij moest uitleg geven. Ik hoor het u nog altijd vertellen:

‘Ha joa, w’oan weeste spelen langs de Schelde en noar de buten gekeken die verbij voardegen. M’oan nie vuder geweest dan d’ijzerie bruhhe (5). Al mene kier woaren Makskies gasten en de Battiau’s moe en ze wildegen werekirren noar huis. Moar omdame al nen ent voorbij ’t schofke woaren zijme vurt gegoan tot verbij Liefmans en euzu langs da boantse weregekird.
Os me an de logting achter de Villa Pola (6) kwoamen trokt Marc Battiau hem een stok rebarber uit want ie oa dust, zeit ie. En ie zeit er nog bij datie da girne eetege. Miljar rebarber da er dor stond! E zu nen huup. Luc trokt hem uk een stok uit en op ’t moment da kik een stok uittrokke hurdegen we de deure van ’t café opengoan en kwoamt de caféboas buiten. Wulder begosten te lupen, moar diene vent riept dame moestn werekirren.
Omdame schau woaren datie achter oes ging zittn of oes onder oes voetn gink geven, keerdegen we were. Me woaren der wel niet gerust in datie thuis zoe kommn reklameren en. En me moestn hem tuën woar dame diene rebarbe oan uitgetrokken.
‘Kom ne kir hiere’, zeit ie, ‘hierze doe da moar mee veur ulder moeder. Ze kant er konfeture van moaken.’ En diene vent begost er moar stokken uit te trekken en de bloaren der af te wringen veur oes ale dreie. Me woaren ale dreie geload gelijk nen ezoal. Miljaar da woog zwoar!
Men tons wel gezeit datie vrie wel bedankt was.’

De ‘ijzeren brug’, spoorwegbrug te Ename.

En ons ma… die is twee dagen bezig geweest om confituur te maken. Ik moest die rabarber helpen in stukjes snijden. En ik ben zelfs nog moeten meegaan bij Lieske van Gust waar ons ma ging schooien om nog lege bokalen – allee confituurpotten – te krijgen.

Of die desselmachine (7) die zo’n lawaai maakte voor het koren te dessen (7). Ze werkten bijna de ganse nacht rond, want ze moesten vlug van de ene boer naar de andere. Daarbij werd het zuivere graan in grote zakken gevuld en op een zolder open gegoten om nog te drogen. Het kaf werd op een grote hoop gespoten. Wij konden er dan in spelen, het stof en de jeukte namen we er graag bij. Oh wat was dat leutig!

Weet je nog hoe we rond Allerheiligen grote bieten uit de grond trokken? We maakten daar een soort spook van door de biet uit te hollen. Er werd een brandende kaars ingezet en we maakten allerlei angstaanjagende geluiden. De meisjes die ’s avonds per fiets van de fabriek van Leupegem kwamen en moesten passeren, durfden langs onzen niet meer komen. Ze reden dan maar langs Volkegem rond uit angst voor dat spookachtig gedoe.

Herinner je je nog iets van de paters die uit de Congo kwamen om te preken en geld in te zamelen voor de missies? Ze spraken zij niet maar tierden en sloegen met hun vuist op de preekstoel om hun woorden kracht bij te zetten. En als het moment daar was om de aanwezige gelovigen te overtuigen opdat ze mild zouden geven, dan stonden ze te roepen dat ze ‘geen cent met een gaatje erin’ duldden in hun schaal. Ze bedoelden een kwartje of tien centiemen. Wat erop neer kwam dat de aanwezigen zich verplicht voelden om meer in de schaal te werpen. Dat was dan al onmiddelijk heel wat meer want in die tijd was een frank een frank en daar kon je al iets mee kopen.

Als diezelfde paters geen sermoen of zo moesten preken, ja… dan trokken ze al eens de wijde natuur in. Zo zaten ze eens te eten in de wei aan het bos in de omgeving van Torreke te Walle. Jullie waren voetbal aan het spelen. Ik was weeral eens ziek geweest en mocht wel mee naar het bos, maar ik mocht niet meespelen. Ik zat daar aan het hekken te kijken toen jullie bal in de andere weide rolde. Ikke er naar toe, maar ik had niet gezien dat daar een stier liep. Dus ik kroop onder het prikkeldraad naar de bal, had deze in mijn handen en plots greep een pater mij vast. Hij rolde mij en hemzelf onder de prikkeldraad naar jullie kant, juist op tijd voor die stier eraan kwam.
Moraal van het verhaal: die pater heeft mij daar gered van die stier.

Oef! Ik stop. Ik heb al veel herinneringen opgehaald en mijn pols doet een beetje pijn van dat alles neer te pennen. Later zal ik wel nog wat herinneringen opschrijven.

Groeten, broere, aan gans uw familie vanwege je zusje,
Christiane

De Sint-Laurentiuskerk te Ename.

Verklaringen

(1) de ‘Makskies’: alias de familie Van Steenbrugge, deden elke week met hun auto – type lichte camion/camionette – hun ronde en verkochten groenten en fruit. Ze waren met twee: Calixe en Georges. Calixe had een rijzige gestalte en Georges, een oom van Calixe, was maar een klein ventje. Ze verkochten ook haring. Gepekelde in een houten tonnetje, droge en opgelegde. En ook gedroogde wijting, verse vis en in het seizoen (de maanden met een ‘R’ in) ook verse mosselen. Daarvoor hadden ze een karretje aan hun camion hangen, waarin de vis en de mosselen koel gehouden werden door ijsblokken. Om hun komst aan te kondigen blies één van beiden op een toeter.

(2) Kantonnier: een medewerker van een overheid (voorloper van Openbare Werken of gemeente) die onder andere belast was met het beheer en het onderhoud van rivieren, dijken, beken, grachten, bermen en wegen.
Tot halverwege de twintigste eeuw – de jaren 50/60 – was die functie in gebruik. De kantonnier kon ook noodzakelijk werk verdelen onder de inwoners (werklozen) in de leeftijd van 17 tot 60 jaar. Zoals het maaien van onkruid langs grachten, overtollige modder uit de grachten scheppen, enzovoort.

(3) Lieske en Gust: August Putman en Alice De Vos. Zij hadden hun boerderij in de Rekkemstraat, links achter het hof van boer Van Hoecke en juist voordat je aan de firma D’Haeyer (Pedeo) kwam. Nu ingenomen door Alvis. Zij woonden nog in Ename, maar hun overbuur boer Cyriel Maryns, die aan de overkant van de straat woonde, was een Volkegemnaar. De gemeentegrens liep ongeveer in het midden van de straat.

(4) ’t Schofke: een schuifplaat die aan het einde van de beek was geplaatst en die op en neer kon worden gelaten om de beek af te sluiten van de Schelde. Wanneer het waterpeil in de Schelde te hoog kwam, werd ‘het schof’ neergelaten zodat het water niet in de beek kon lopen. Op die manier werd een overstroming vermeden. In de winter werd het soms wel eens gedaan dat men het water wel in de beek liet lopen. Tot die overliep in de omliggende weiden, beter gekend als de Scheldemeersen. Dat water voerde aarde mee. Wanneer het waterpeil zakte, bleef er een soort bezinksel achter. Dat zette zich dan af in de weiden en werd een vruchtbare voedingsbodem voor het gras.

(5) d’IJzerie bruhhe: spoorwegbrug over de Schelde. Er was ook een trap langs beide zijden om te voet en/of met de fiets aan de hand van de ene naar de andere kant te gaan. Nu ligt naast de spoorwegbrug de Lotharingenbrug, voor gewoon wegverkeer.

(6) Villa Paula: een café in de omgeving van de brouwerij Liefmans en de Scheldeoever. Daar was ook een ‘overzet’ waar je voor een paar franken u kon laten overvaren door de cafébaas. Daardoor spaarde men tijd uit wanneer men naar Oudenaarde wilde gaan.

(7) Desselmachine (dessen = dorsen): een combinatie van een tractor met een dorskast en een strobinder. De tractor dreef de dorskast aan door middel van een lange, platte riem van leder. Ook de strobinder werkte op die manier, met een riem tussen de dorskast en de binder. Na de tweede wereldoorlog deed de modernere, zelfrijdende maaidorsmachine of pikdorser zijn intrede voor het maaien en dorsen van graan- en zaadgewassen.
Dessen (dorsen): het proces van het verwijderen van de graankorrel uit de rijpe korenaar. Dorsen werd vroeger in de wintermaanden met de hand gedaan, met behulp van een dorsvlegel. Soms stonden er tot vier mannen in een kring om in een bepaalde cadans met de vlegel op het graan te slaan. Het gedorste graan werd vervolgens geschoond met een wan en later met een wanmolen. Bij het dorsen met een dorsmachine of pikdorser wordt het kaf automatisch gescheiden van het graan.

2 gedachtes over “Herinneringen aan mijn jeugd: Christiane (deel 1).

  1. Schitterende herinneringen aan een lang vervlogen tijd. Iedereen die het Ename van de jaren 1950 – 1965 heeft gekend zal zich zeker terugvinden in deze jeugdige belevenissen. De mooie foto’s brengen ons ook terug naar onze jeugdige jaren. Proficiat en bedankt aan jullie allen die ons op deze wijze nog wat (wee) moed brengen in deze afschuwelijke coronatijden.

    Geliked door 1 persoon

    • Dank u wel voor dit mooie compliment, André. We hopen nog veel meer van deze verhalen online te kunnen zetten. Het doet deugd om ons dorpke op deze manier te vereeuwigen. In kostbare herinneringen.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s