Oda, vroedvrouw van Ename.

~~ geschreven door Ilse Bostyn / met dank aan Magdalena De Keyzer, Lucien Gyselinck (+), Bertha De Smet (+), Luc Schittecatte, Carla Gyselinck, Eline de Boer, Willem de Boer, Guido Tack en Frank Delmaire – voor de foto’s en verhalen

Het verhaal van de Enaamse vroedvrouw Oda De Paepe (1867-1947) boeit mij. Misschien wel omdat ik uit een geslacht van vroedvrouwen stam. Mijn grootmoeder Celina De Stercke (1882-1957) was ‘achterwaarsterigge’ in Asper. Maar verder terug in onze stamboom, aan zowel vaderszijde als moederszijde vind ik nog meer vroedvrouwen terug. Tot mijn blije verrassing koos onze dochter ook voor het vakgebied verloskunde en kraamzorg. Vanuit een roeping die ze van haar jonge tienerjaren al voelde.

Onze dochter Eline de Boer weegt een pasgeboren baby – foto Eline de Boer

Zorgen voor moeder en kind, voor zieken, voor hulpbehoevenden, voor stervenden. Het zit blijkbaar in ons bloed. En zo moet dat ook geweest zijn voor Oda De Paepe. Als jonge vrouw koos zij voor deze professie en zij had het geluk daar een erkenning van de overheid voor te krijgen. Want in haar tijd konden jonge vrouwen eindelijk als ‘gediplomeerde vroedvrouw’ aan de slag. Dat betekende niet dat zij vrij waren om te doen en laten wat zij wilden. Er waren strenge regels. De ‘vroedmeesters’, de chirurgijnen en artsen hadden altijd meer bevoegdheden (zoals het werken met instrumenten als de verlostang, een ingreep die door vroedvrouwen niet mocht worden uitgevoerd).

Meer dan een verloskundige.
“De achterwaarsterigge is niet de verloskundige zoals we die nu kennen: ze stond de vrouw bij bij de bevalling, maar was tegelijk ook de verzorgster van het pasgeboren kind en hielp mee in huis. Het was een volksvrouw die bij de toekomstige moeder de bevalling ging voorbereiden, eventueel bleef overnachten, de arts erbij riep als dat nodig was en dus ook enkele dagen de nazorg van de bevalling, het kind en de rest van het gezin op zich nam. Loon werd hiervoor niet betaald. De achterwaarsterigge werkte tegen kost en inwoning en wat zakgeld. Ze was dus een vroedvrouw (verloskundige) en kraamhulp (baker) ineen. Een strikte scheiding tussen die twee bestond toen nog niet. Dat kwam later met de professionalisering van de beroepen.”
(Veronique De Tier, website Instituut voor de Nederlandse Taal, 2021)

Etymologie van het woord ‘achterwaarsterigge’: uit het Middelnederlands ~ ‘achterwaren’ is verzorgen, zorgen voor, beschermen / ‘waren’ is zorgen & ‘achter’ is ‘naar, om, op’ (zoals nog steeds in ons dialect). Te vergelijken met het Engelse ‘to look after’.

Achterwaarsterigge of vroedvrouw?

In de 19de eeuw hadden de meeste dorpen in onze streek hun eigen vroedvrouw. Soms was dat een ‘achterwaarster’ die niet officieel opgeleid was, maar door ervaring kundig was in het begeleiden van bevallingen en de verzorging van moeder en kind. En soms was dat een gediplomeerde vroedvrouw. Men schrijft ook ‘gezworen vroedvrouw’ omdat zij net als andere werkers in de medische zorg een eed moesten afleggen.
Tijdens de 19de eeuw zien we steeds meer officieel opgeleide vroedvrouwen aan het werk gaan in onze dorpen. Voor Ename is dit, vanaf halverwege de jaren ’90 van de 19de eeuw tot wellicht de jaren ’40 van de 20ste eeuw, de in ons dorp geboren en getogen Oda De Paepe. Haar voorgangster in Ename, eveneens een gediplomeerde vroedvrouw, was Seraphina Beernaert.

In Mater was dat in diezelfde periode Sylvie Bovy en in Volkegem, korte tijd later, Emma De Roy.
De vroedvrouwen waren niet enkel in hun eigen dorp actief, maar werden ook vaak naar omliggende dorpen geroepen om daar zorg te bieden.

‘The New Arrival’, David Henry Friston

Helaas werd in de periode van Oda en mijn grootmoeder Celine toch nog vaak een beetje neergekeken op de dorpse ‘achterwaarsterigges’. Dat een gedegen opleiding nodig was, is begrijpelijk en daarom is het alleen maar toe te juichen dat daar op een gegeven moment ook in werd voorzien. Maar de door het leven ervaren ‘femmes sages’ hadden meestal een wijsheid en kundigheid die niemand mag onderschatten.
Deze vrouwen waren niet alleen op het gebied van zwangerschap en geboorte actief. Zij zetten zich in van de wieg tot het graf. Mijn grootmoeder hield net zo vaak de hand van een bevallende moeder vast als de hand van een stervende. Of een zieke. De dorpsarts riep geregeld haar hulp in en vertrouwde op haar.

Ook Oda deed in Ename veel meer dan bevallingen leiden. Zoals u verder nog zult kunnen lezen, werd zij er zelfs bij geroepen in situaties die niet rechtstreeks met medische zorg te maken hadden. En met opmerkelijk resultaat. Haar medische kennis bleek groot en zij had een scherp inzicht.

Oda, een Enaamse

Oda werd geboren op 27 februari 1867 in het gezin van Pius De Paepe en Sophia De Vos. Zij was hun tweede kind. Vóór haar kwam broer Hendrik (1865) en ná haar Emma (1869), Oscar (1871), Marie Celine (1874), Remi (1877), Marie Emelie (1879) en Alfons Victor (1882). De geboorteakte in het register van de burgerlijke stand laat ons zien dat haar geboorte werd aangegeven voor burgemeester Edmond Beaucarne. Over deze Enaamse burgemeester valt veel te vertellen. Hij vervulde zowel op nationaal als op regionaal niveau een belangrijke rol en voor Ename heeft hij het onschatbare werk verricht van het verzamelen van historisch-wetenschappelijk materiaal over het dorp, zijn rijke geschiedenis en zijn beroemde Sint-Salvatorabdij. Maar terug naar onze Oda.

Vader Pius en moeder Sophia waren niet alleen landbouwers, maar ook herbergiers. Een speurtocht naar het geboortehuis van Oda leidt ons naar de Zwijndries en dan met name het huis dat wij nu nog steeds kennen als ‘café In de Klok’ (al is daar heden ten dage geen herberg meer). Aan de hand van kadastrale leggers, de kadasterkaart én het Enaamse bevolkingsregister uit die jaren kunnen we duidelijk zien waar Oda’s gezin gewoond en gewerkt heeft. Het adres van deze woning was toen ‘Zwijnendries’ (nu is dat Wolvenstraat).

Café (voormalig) ‘In de Klok’ – dd 13-11-1995 – foto Beeldbank Erfgoedobjecten provincie Oost-Vlaanderen
https://id.erfgoed.net/afbeeldingen/404251

Gediplomeerd

Toen Oda oud genoeg was om mee te helpen in het gezin, begon zij te werken in de herberg van haar ouders en op het land. Dat vinden we terug in de bevolkingsregisters. Maar ergens tussen 1890 en 1894 werd Oda een gediplomeerde (‘gezworen’) vroedvrouw. Waar Oda haar diploma haalde, is mij (nog) niet bekend. We weten dat er in die periode een vroedvrouwenschool was in Gent, maar ook dat stadsbesturen (misschien ook Oudenaarde?) cursussen organiseerden waarbij bevoegde vroedvrouwen en artsen les gaven aan jonge vrouwen die als vroedvrouw wilden werken in hun dorpen en steden.

Oda volgt de Enaamse vroedvrouw Seraphina Beernaert op.
In de geboorteaktes uit het Enaamse bevolkingsregister zien we dat Seraphina Beernaert in 1890 en 1891 nog tweemaal een aangifte van geboorte doet. De volgende twee aangiftes door een vroedvrouw, in 1894 en 1895, worden door Oda De Paepe gedaan. De taak van Enaamse vroedvrouw was dus doorgegeven aan een volgende generatie.

Dezelfde overgangsjaren zien we in Volkegem, waar Seraphina en Oda geregeld naartoe geroepen werden. We leiden dit af uit het geboorteregister van de burgerlijke stand waarin de vroedvrouwen vermeld zijn als de personen die de aangiftes deden omdat de vader niet aanwezig kon zijn. In de periode rond de eeuwwisseling 19de-20ste eeuw was de afwezigheid van de vaders vooral te wijten aan het seizoenswerk dat zij verrichtten in het buitenland (meestal in Frankrijk), waardoor zij lange periodes van huis weg waren.
Naast onze Enaamse vroedvrouwen zien we ook dat de Materse vroedvrouw Sylvie Bovy veel aan het werk was in Volkegem, en dat dorp krijgt (weer) een eigen vroedvrouw in het eerste decennium van de 20ste eeuw: Emma De Roy.

Seraphina Beernaert overleed op 12 januari 1892 in haar woning aan de Lijnwaadmarkt. Daar woonde zij met haar echtgenoot Karel Lodewijk Vandermeulen, schoenmaker te Ename. In het bevolkingsregister van Ename lezen wij dat zij stierf aan een ‘luchtpijpontsteking’. Zij werd 65 jaar.
(Seraphina werd geboren op 16 oktober 1826 en was de dochter van de Enaamse barbier Lodewijk Beernaert.)

Oda behaalde dus in haar twintiger jaren haar bevoegdheid als vroedvrouw. Dat is veel jonger dan de gemiddelde leeftijd van de niet-opgeleide achterwaarster. De ‘achterwaarsterigge’ was bijna altijd een oudere, rijpere vrouw met de ervaring van een eigen gezin en de zorg voor familie. Achterwaarsters uit de 19de eeuw waren meestal ongeschoold en dat kunnen we onder andere afleiden uit het feit dat zij de inschrijving van geboortes in het burgerlijk register bijna nooit konden ondertekenen. Gediplomeerde vroedvrouwen ondertekenden de aktes altijd. Dat betekent voor onze Enaamse Seraphina én Oda dat zij konden lezen en schrijven. Misschien bevreemdt u dit, maar in de 19de eeuw was dit geen vanzelfsprekendheid. Velen konden niet of nauwelijks hun handtekening zetten, laat staan lezen of schrijven.

Magdalena De Keyzer (geboren in 1924), een bijna-eeuwelinge geboren in Ename, vertelt dat Oda een ‘grote’, stoere vrouw was. Dat past grappig genoeg bij het beeld dat velen van ons hebben van de dorpsvroedvrouwen van weleer: de sterke, wijze vrouw die van aanpakken weet en niet gauw van haar stuk gebracht is. Dat zijn dan ook eigenschappen die een vroedvrouw goed van pas komen.

Herinneringen van mijn moeder, Bertha De Smet:

"Ik was elf jaar oud. Op een dag werd mijn moeder bij een bevalling geroepen. Dat bleek een heel moeilijke geboorte te zijn en mijn moeder had hulp nodig. Helaas was er niemand in de buurt die haar terzijde kon staan en toen riep mijn moeder mij erbij. Ze nam mij terzijde en sprak:
'Berthaatje, gij zult mij moeten helpen. Wees heel stil en doe enkel wat ik u zeg te doen. Deze moeder krijgt een kindeke en het gaat niet goed. Komt gij erbij staan en houdt haar handen vast. Ge moogt enkel kijken naar haar gezicht. Ik weet dat gij dat kunt, Bertha. Nu sterk zijn, meiske.'
Ik deed wat mijn moeder mij gevraagd had. De vrouw die aan het bevallen was had zeer veel pijn en raakte in paniek. Maar ik zat op haar bed en hield haar handen goed vast. Ik keek alleen naar haar gezicht. En toen was daar ineens een kindeke.
Ik had nog niet gehoord hoe kindekes geboren werden. Ik dacht, zoals de andere kinders van het dorp, dat de borelingskes door de schippers op de Schelde werden meegebracht en dat de moeders ze op de boot gingen halen. Maar die dag leerde ik dat een kindeke kopen toch heel anders ging.
Mijn moeder liet mij daarna in een zetel in de woonkamer zitten en gaf dat kindeke aan mij om goed vast te houden. Ondertussen verzorgde zij de uitgeputte moeder. Alles is goed gekomen."

(Herinneringen van mijn moeder Bertha De Smet (1921-2014) aan haar moeder Celina De Stercke (1882-1957), die vroedvrouw te Asper was.)

Het gezin van Oda

Wanneer Oda 29 jaar oud is, stapt ze in het huwelijksbootje met de Weldense Antoon Waeghe. Antoon en Oda trouwen op 24 juni 1896 te Ename en het is schepen Gustaaf Rullens die hun huwelijk voltrekt. Over deze bekende Enamenaar kunt u lezen in het artikel: Gustaaf Jozef Rullens, hereboer en brouwer.
Wanneer Oda trouwt is zij al een gediplomeerde vroedvrouw. Antoon is mandenmaker en de zoon van Karel Lodewijk Waeghe en Clementina Walraeve, landbouwers in Welden. Ik heb nog geen foto van Oda en Antoon kunnen vinden, maar hoop deze op een dag bij dit artikel te mogen voegen.

Oda en Antoon gaan meteen na hun huwelijk wonen in de ‘Neerstraat’, de huidige Abdijstraat. In het rijtje huizen waar ik later met mijn ouders en zuster zou gaan wonen. De wereld is klein, zegt men dan.
In 1911 verhuist het gezin naar de Statiestraat in Nederename (verlengde van de Statiestraat in Ename, net ver voorbij de spoorweg). Tot dan woont bij het gezin een jonge vrouw genaamd Elisabeth Van Biesen, geboren te Brussel en als ‘verlaten kind’ bij Antoon en Oda terechtgekomen. Zij keert naar Brussel terug.

Antoon en Oda kregen drie kinderen (voor zover ik kan terugvinden): Marcel Lodewijk Albert (geboren op 15 juli 1897), Hector Pius Oscar (geboren op 25 oktober 1899) en Elza Ludovica Celina Joanna (geboren op 14 juni 1901). Zij werden allemaal in Ename geboren.
Van hun kinderen weet ik enkel dat zoon Marcel na zijn huwelijk verhuisde naar Zingem (namen bij mij bekend) en ik hoop via zijn nakomelingen meer informatie over het werk van onze Oda te verkrijgen en, wie weet, een foto van haar te vinden. De zoektocht wordt dus vervolgd.

Daar stopt voorlopig het spoor. Verdere registers, zowel van de burgerlijke stand als van de bevolking, zijn niet openbaar te raadplegen. Of het gezin dus op dit adres is blijven wonen is mij nog niet bekend. Hoogstwaarschijnlijk wel omdat onze bijna eeuwelinge en Enaamse Magdalena De Keyzer dit bevestigt én omdat het bidprentje van Oda vermeldt dat zij in Nederename gestorven is.

Het is wel zo dat Antoon en Oda in Ename begraven zijn. Hun graf bevindt zich tegenover de doopkapel van de Sint-Laurentiuskerk.

Nog meer herinneringen aan Oda

Magdalena De Keyzer vertelt ons ook dat de kinderen van Ename en Nederename onder elkaar wel eens zeiden: ‘Zouden wij geen kindje gaan kopen bij Oda?’

Van Lucien Gyselinck (1924-2014), Enaamse bierhandelaar en fabrikant van sausen en azijnconserven, mochten wij een leuke anekdote vernemen. Het zou zo geweest zijn dat Oda het afbinden van de navelstreng met een herkenbare draai deed. Daardoor kon men later zien wie door Oda op de wereld was geholpen! Lucien had zo ‘een Oda’, want zo noemde hij de navels die dit kenmerk vertoonden. Ooit, tijdens de vrolijke stemming van een feest, vroeg Lucien aan enkele dorpsgenoten om hun navel te tonen en hij kon precies aanwijzen wie ‘een Oda’ had en wie ‘geen Oda’ had.

Guido Tack vertelt mij dat tijdens zijn kinderjaren men de afstammelingen van Oda nog ‘van Oda(a)tsies’ noemde. En ook als plaatsaanduiding, bij het ouderlijk huis van Oda op de hoek Zwijndries-Wolvenstraat, zei men ‘aan Oda(a)tsies’.

‘Le bateau qui passe’, Emile Claus (1883) – kinderen aan de Leie
Herinneringen van mijn moeder, Bertha De Smet 

"Wij waren natuurlijk nieuwsgierig naar waar pasgeboren kindekes vandaag kwamen. Het was iedere keer 't zelfde: plots was daar een kindeke en de moeder moest altijd twee weken in haar bed blijven! Hoe verklaar je dat? Awel, daar hadden de grote mensen in Asper een goede uitleg voor. Ze vertelden ons dat die kindekes door de schippers over de Schelde meegebracht werden. Die zouden ergens de kindekes ophalen en met hun boot naar de moeders brengen. En telkens wanneer een moeder een kindeke ging halen op de boot, struikelde zij op de loopplank en brak haar been. Daarom moesten moeders een tijdje bedrust houden na de komst van dat kindeke.
En wij geloofden dat. Ah ja! 
Het gebeurde dikwijls dat we aan de Scheldekant stonden en naar de schippers riepen. We vroegen dan of ze weer borelingskes mee hadden. Ik heb 't meegemaakt dat een schipper ons antwoordde: 'Ja, maar 't zijn allemaal roste!'. Met andere woorden 'die wil niemand hebben', want tja... in die tijd was rood haar niet zo populair.
We kregen meestal pas in onze tienerjaren te horen waar de kindekes echt vandaan kwamen. Behalve ikzelf dus, omdat ik op mijn elfde met moeder mee moest gaan om te helpen bij een bevalling.
De schippers op Schelde... die zullen zeker veel plezier gehad hebben om ons enthousiasme!

(Herinneringen van mijn moeder Bertha De Smet (1921-2014) aan haar moeder Celina De Stercke (1882-1957), die vroedvrouw te Asper was.)

Gedoopt door de vroedvrouw

In het Vlaanderen van Oda’s tijd heerste nog de oude, rooms-katholieke leerstelling dat een kind dat stierf vóórdat het gedoopt was niet naar de hemel ging. Het ging ook niet naar de hel, maar kwam in het ‘voorgeborchte van de kinderen’ terecht (het ‘limbus puerorum’). Daar kon het in ‘natuurlijke gelukzaligheid’ verblijven, maar zou nooit ‘God van aangezicht tot aangezicht zien’.
Deze leerstelling stamt uit een stelsel van dogma’s die door de eeuwen heen opgebouwd zijn tot een ingewikkeld theologisch concept.
Het voert te ver om dit uit te leggen. Het volstaat om te vermelden dat binnen de rooms-katholieke kerk, sinds het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) nogal wat dogmatische veranderingen zijn doorgevoerd met betrekking tot de zielestaat van het ongedoopte kind.

Voor de ouders van kinderen die ongedoopt stierven was de oude leerstelling een ware nachtmerrie. Het betekende dat zij hun kindje niet zouden zien in het hiernamaals en dat hun kindje niet echt bij God zou komen.
Men doopte pasgeboren kinderen dan ook vrijwel meteen op de dag van de geboorte of de dag nadien. Maar… indien het kindje tijdens of meteen na de bevalling dreigde te sterven en er geen tijd was om een priester te roepen, mocht de vroedvrouw dopen. Dit werd een ‘nooddoop’ genoemd. In de parochieregisters zien we dit vermeld worden als een doop ‘sub conditione’ (‘onder voorwaarde’).

Het kon natuurlijk gebeuren dat de vroedvrouw zag dat het kindje zou sterven terwijl het nog in de buik van de moeder zat. In zo’n geval kon zij het kind tóch dopen. Dat gebeurde met behulp van een doopspuit.

Een doopspuit zoals gebruikt in Vlaanderen tijdens de 19de eeuw
– Huis Van Alijn, Gent

Wanneer de vader om een bepaalde reden niet aanwezig kon zijn bij de geboorte en de doop was het de vroedvrouw die deze taak op zich nam. Samen met de peter en de meter van het kind. De moeder moest de eerste dagen na de bevalling vanzelfsprekend rust houden en was dus niet bij de doop aanwezig .
Het was, zoals u hierboven reeds kon lezen, ook de vroedvrouw die in zo’n geval de geboorte van het kind aangaf bij de burgerlijke stand.

Beeld uit de Vlaamse televisieserie ‘De Paradijsvogels’ – BRT, 1979-1982, aflevering 34
met Emmy Leemans als Stiene de vroedvrouw, Denise De Weerdt als meter Catho, Ward De Ravet als peter Pier, Ugo Prinsen als koster en Marc Steemans als kapelaan

Oda’s hulp bij het oplossen van een moordzaak

“Op 30 september 1921 werd er een vrouwenlichaam gevonden op de sporen aan het station te Ename. Oda kwam ter plaatse en samen met een dokter uit Eine deed ze de uitwendige lijkschouwing. Zij kwamen tot het besluit dat een doorgedreven lijkschouwing noodzakelijk was. De aangestelde wetsdokters kwamen tot het besluit dat het om zelfmoord ging. Het gerechtelijk onderzoek ging echter verder en daarin waren de vaststellingen door Oda en de dokter belangrijk. Toen het in 1923 tot een assisenproces kwam, werd Oda opgeroepen als getuige en in zijn eindrequisitoir verwees de procureur-generaal naar de vaststellingen van de vroedvrouw.”
~ auteur Frank Delmaire

Zoals Frank Delmaire hierboven beschrijft, speelde Oda een belangrijke rol bij het oplossen van de moord op Eugenie R. uit Mater. Zij werd door haar aanstaande echtgenoot en vader van haar drie kinderen vermoord in het Bos t’Ename op 29 september 1921. De dag nadien werd haar lichaam gevonden op de treinsporen, grondgebied Nederename. Het doel van de dader was om het gebeuren op een zelfmoord te doen lijken. Maar mede door de expertise van Oda kwam men erachter dat Eugenie geen zelfmoord had gepleegd, maar al een dag eerder door geweld om het leven was gekomen. Ook het feit dat dit in het bos gebeurd was, kon Oda afleiden uit haar onderzoek van het lichaam.
Dankzij haar scherpe inzicht heeft zij de wetsdokters op het juiste spoor gezet inzake het oplossen van deze moord. Zij trad natuurlijk ook op als getuige tijdens de rechtzaak.

Over deze misdaad verschijnt in februari 2023 een artikel op dit weblog. U kunt dat mettertijd lezen via de link die u hier zult vinden.

Afbeelding 1: krantenartikel uit Het Volk, 13 februari 1923
Afbeelding 2: krantenartikel uit Het Volk, 2-3 oktober 1921

45 jaar vroedvrouw

Op Oda’s bidprentje lezen we dat zij vereerd werd met het ‘kruis der Beroepsvereniging der Vroedvrouwen’ na een loopbaan van 45 jaar. Aannemende dat zij rond haar 25-27ste levensjaar (1892-1894) begon met haar taak, betekent dit dat zij zeker tot op haar 72ste (1939) actief is gebleven. Een indrukwekkende prestatie met een even indrukwekkend palmares.

Met recht zoals het bidprentje vermeldt: ‘een vruchtbare loopbaan’.

Bidprentje van Oda De Paepe – foto Frank Delmaire
Doopvont in de doopkapel van de Sint-Laurentiuskerk te Ename – foto Willem de Boer

6 gedachtes over “Oda, vroedvrouw van Ename.

  1. Heel erg gemeend, bravo Ilse!!een heel erg interessant verhaal over hoe het er vroeger aan toeging!! Vergelijk eens de situatie nu en vroeger… belangeloze inzet en bijstand aan vrouwen en ook hun huishouding zonder vergoeding!! Ik ben ook nog thuis geboren en weet niet wie de vroedvrouwtoendertijd(1952) was in Ooike!Bedankt om dit allemaal zo mooi onder woorden te brengen!! Je bent een toppertje!👍🏾😘

    Geliked door 1 persoon

  2. Geweldig verhaal en wat een opzoekwerk geweest. Al twee keer gelezen en nu voor de derde keer Een schat aan informatie over die “goede ouwe tijd” . Geweldig stuk werk geleverd..

    Geliked door 1 persoon

  3. In haar tijd moet Oda onbetwistbaar een echte Enaamse dorpsfiguur zijn geweest. De beschrijving van haar leven getuigt weer eens van Ilses grote eruditie. Dergelijke artikels mogen lezen bezorgt me steeds weer een gelukkig gevoel van Enaamse nostalgie.

    Geliked door 1 persoon

    • Dank je wel, Marco! Ik moet nu wel blozen… Dit is allemaal heel graag gedaan. Het is zalig om in de geschiedenis van Ename te duiken. En dit artikel krijgt vooral kleur door de medewerking van zoveel mensen. Dank!

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s